Het is een wederkerend fenomeen. Al dat mysterieuze gedoe over de moeilijkheidsgraad van het WK-parcours. Ook dit jaar horen we verschillende verhalen over hoe dat parcours in Geelong er nu precies uitziet. Ooit bestempeld als een uitgelezen kans voor spurters. Nu is de puncher Gilbert meer dan ooit topfavoriet. Een beschrijving van hoe het parcours er nu echt uitziet. En misschien nog belangrijker: wie maakt er nu het meeste kans?
Het belangrijkste verschil met de vorige WK’s is de start. Gewoonlijk reden de renners vanaf de start enkel en alleen rondjes op het plaatselijke circuit. Het ideale scenario om rustig te beginnen. Maar niet dit jaar. Deze keer moeten de renners eerst 85 km afleggen vanuit Melbourne voordat ze aankomen op het plaatselijke circuit in Geelong.
Waaiervorming
U heeft het misschien al gehoord of gelezen, maar dat eerste stuk is niet van de poes. Van Melbourne tot Geelong is het voortdurend op en af in zuidelijke richting langs baai Port Philip. Aan wind geen gebrek dus. En heel waarschijnlijk waait die ook nog eens landinwaarts, zijwind dus. In wielertermen de ideale omstandigheden voor waaiervorming.
Of er een land de boel nu echt op de kant gaat trekken is een andere vraag. Het is nog maar zelden voorgekomen dat een WK zo vroeg echt ontploft. Een WK is namelijk een afwachtingsrace en om zo vroeg de boel open te trekken, daar heeft volgens mij geen enkele ploeg het lef voor. Het eerste deel zal wel enorm belangrijk zijn om de kopmannen vooraan en uit de wind te houden. Tenzij misschien enkele landen de handen in elkaar slaan en meteen erin vliegen. Ik denk dan aan landen die baat hebben bij een harde koers, zoals Italië en België.
Eens aangekomen in Geelong wachten er elf rondjes van bijna zestien kilometer. Om het parcours eens echt te bekijken, kan je onderaan klikken op een video van Robbie McEwen. De Australiër verkende in het begin van het jaar het volledige parcours en geeft daarbij interessante informatie.
Drie steile trappen
Zoals u ook al kunt zien aan het profiel, is dit alles behalve een vlakke race. Per ronde wachten twee klimmetjes. Niet overdreven zwaar, maar na 260 km en elf beklimmingen weegt alles al iets zwaarder door.
De eerste klim is meteen ook de zwaarste. Een kilometer bergop verdeeld in drie steile trappen. Gemiddeld ongeveer 8%, maar met een piek van rond de 20% op het einde. Vrij zwaar, ondanks een mooie aanloop. Ideaal voor krachtpatsers à la Gilbert. De top ligt op negen kilometer van de meet.
Na de klim gaat het razendsnel bergaf tot aan de voet van de volgende klim. Deze is iets korter, maar opnieuw steil (10%). Nadien volgt er een langgerekte bijtrapafdaling over grote brede wegen met lange rechte stukken. Hier kan een georganiseerde groep snel terrein goedmaken op een koploper. De vraag is of er in de finale nog een land sterk genoeg is om hier te organiseren.
Groepspurt
Het gaat pas echt opnieuw bergop in de laatste rechte lijn, en dan zitten we net in de slotkilometer. De aankomst is geen helling, maar die vijf procent kan een verschil maken. En zeker na 260 kilometer. Geen gewone aankomst dus.
Conclusie. Dit is verre van een ideale spurtersomloop zoals Zolder, maar een groepspurt behoort wel tot de mogelijkheden. Zoals altijd zal het afhangen van hoe zwaar de renners de koers zelf maken. Aangezien de Italianen en de Belgen geen spurter in huis hebben moeten zij Cavendish, Freire, Hushovd en co wel afmatten om dan alles op alles te zetten in de laatste of voorlaatste ronde.
In de volgende blog, analyseren we de sterkte en tactiek van de verschillende landen.



